Inspiratieprijs 2018

Op 1 november is de Inspiratieprijs 2018 uitgereikt door het Prins Bernhard Cultuurfonds Limburg.
Zowel Het Franciscus Huis Weert en het Fatima Huis waren genomineerd voor deze prestigieuze prijs.
Kasteel Borgharen was uiteindelijk de gelukkige winnaar. Het team van het Franciscus Huis Weert en het Fatima Huis kregen een herinneringsbordje uitgereikt.

Uitreiking inspiratieprijs 2018 van het Prins Bernhard Cultuurfonds. Winnaar is Kasteel Borgharen (Ronny en Amal Bessems) Foto: Jonathan Vos Photography ©

Uitreiking inspiratieprijs 2018 van het Prins Bernhard Cultuurfonds. Winnaar is Kasteel Borgharen (Ronny en Amal Bessems) Foto: Jonathan Vos Photography ©

Hardstenen plaquettes voor het Fatima Huis

Op donderdag 20 september 2018 is het Fatima Huis verrijkt met een aantal prachtige hardstenen plaquettes.

Frater Leo Disch, een autodidactisch kunstenaar, heeft in samenwerking met het Fatima Huis prachtige ontwerpen gemaakt en uitgewerkt in zijn atelier/steenhouwerij De vier Gekroonden in Vaals. Meer info over het werk van Frater Leo.

Doelstelling van het Fatima Huis is om het voormalige kerkgebouw te gebruiken voor maatschappelijke doeleinden, vooral sociale, educatieve en culturele activiteiten. Op deze manier wil de initiatiefnemer een waardige herbestemming geven aan de kerk waarvan de eerste steen werd gelegd op 19 april 1954 en die werd ingezegend op 25 maart 1955. Architect was Pierre Weegels.

Aannemer P.M. Gijbels en Zoon te Weert. In het gebouw bevinden zich een mooie mozaïek van Hugo Brouwer, houtsnijkunst en keramiek van Cor van Geleuken, glas in lood van Charles Eyck en Hugo Brouwer, schilderijen van Gard van Wegberg en een Fatima Kapel, die als devotiekapel gehandhaafd is. In 2011 werd de kerk onttrokken aan de eredienst. In 2016 is het Fatima Huis met o.a. subsidie van de Provincie Limburg volledig gerestaureerd.”

Fatima Huis genomineerd voor Inspiratieprijs 2018 van het Prins Bernard Cultuurfonds Limburg

Stemmen kan nog! Breng je stem uit.

De familie Hendrix uit Ospel kon de leegstand en dreigende teloorgang van de Franciscus- en Fatimakerk niet langer aanzien en besloot ze in 2014 aan te kopen.   Rian Schonkeren-Hendrix: “Voor beide gebouwen gold dat het om zo’n prachtig erfgoed ging met zulke mooie kunstobjecten erin dat wij als familie besloten de handdoek op te pakken, beide gebouwen op te knappen en ze terug te geven aan de wijk door ze open te stellen voor culturele, educatieve en maatschappelijke activiteiten.”  Zo diende de Franciscuskerk drie jaar lang als het decor van de ijsbaan in Weert die met hulp van 120 vrijwilligers tijdens de eerste editie in december 2014 al meteen 20.000 bezoekers trok.

Schutterij, koor, harmonie en carnavalsvereniging hebben de afgelopen jaren ook al de weg naar de nieuwe ontmoetingsplek gevonden.  “In het Fatima Huis maken de kerkbanken onderdeel uit van het ontwerp van architect Pierre Weegels , dus die kun je er niet uithalen, terwijl je ze bij het Franciscushuis wel kunt verplaatsen waardoor je een grote vrije ruimte kunt creëren. Toch hebben we daar ook al diverse bijzondere muziekuitvoeringen gehad.” Misschien wel het mooiste compliment dat haar familie kreeg voor het opknappen van beide momenten was het dankwoordje van een kind in het gastenboek van de ijsbaan. ‘Dank je wel god dat ik hier mocht schaatsen.’ “Maar ook wijkbewoners die niet zo veel op hadden met het geloof en nog nooit in de kerk bij hen om de hoek waren geweest stonden versteld van het prachtige bewaard gebleven  glas-in-lood van Charles Eyck en Daan Wildschut en het imposante kerkorgel.”  Schonkeren looft vooral bij het Fatima Huis het samen optrekken met provincie en gemeente. “Dat heeft zijn vruchten afgeworpen. Je ziet dat beide gebouwen weer samenhang creëren onder bewoners in de wijk.  En het inspireert ook mensen. Zo wordt het Franciscus Huis ook het nieuwe Huis van Nicolaas. Prachtig toch?”

Bekijk hieronder het artikel uit dagblad de Limburger

Oranje Fonds reikt Buurtcadeau uit in Weert

Het Oranje Fonds verrast Stichting Wijkraad Fatima uit Weert met een Oranje Fonds Buurtcadeau t.w.v. €3.000. In buurten waar de Straatprijs van de Nationale Postcode Loterij valt, verblijdt het Oranje Fonds een organisatie met het Buurtcadeau. Zo hebben ook alle omwonenden langdurig profijt van de straatprijs.

Buurten zijn de haarvaten van de samenleving. Lokale organisaties waarbij buurtbewoners elkaar ontmoeten zijn van grote waarde voor de samenhang en veiligheid van Nederland. Vandaar dat het Oranje Fonds extra wil investeren in de buurt. Het Fonds doet dit op allerlei manieren. Het is betrokken bij Burendag en investeert in activiteiten en accommodaties.

Daarnaast verrast het Oranje Fonds in de buurten waar de Straatprijs valt, een lokale organisatie met het Oranje Fonds Buurtcadeau. Binnen de doelstelling van deze organisatie krijgen zij € 3.000 te besteden. Zo hebben niet alleen deelnemers van de Nationale Postcode Loterij profijt van de Straatprijs, maar ook andere omwonenden.

In Weert zijn ze erg blij met het Buurtcadeau. “Het geld van het Oranje Fonds gaan wij investeren in speelvoorzieningen voor bewoners van de wijk in het wijkpark. Het park dient een ontmoetingsplek te worden voor jong en oud, voor alle bewoners van Fatima. Daarmee zal het een bijdrage leveren aan de cohesie en samenhang in de wijk,” aldus Mark Hendriks – voorzitter van Stichting Wijkraad Fatima.

Het Oranje Fonds steunt sociale initiatieven met geld, kennis en contacten. Afgelopen jaar besteedde het € 30 miljoen aan organisaties die een betrokken samenleving bevorderen in het Koninkrijk der Nederlanden. Door deze bijdragen ontmoeten mensen elkaar of vinden zij een nieuwe plaats in de samenleving. Het Oranje Fonds wordt o.a. gesteund door de Nationale Postcode Loterij, De Nederlandse Loterij en door Vrienden en bedrijven. Koning Willem-Alexander en Koningin Máxima zijn al sinds de oprichting het beschermpaar van het Oranje Fonds.

Mariakapel Fatima Huis Weert weer open

De Mariakapel in de voormalige parochiekerk aan de Coenraad Abelsstraat in de wijk Fatima in Weert gaat weer open voor publiek vanaf juli tot en met oktober 2018.

Elke donderdag- en zaterdagmiddag van 14.00 tot 16.00 uur kunt u er terecht voor gebed en verering van Onze Lieve Vrouw van Fatima. Een kaarsje opsteken bij Maria is ook mogelijk.

Op woensdag 15 augustus (Maria Tenhemelopneming) en woensdag 22 augustus (Maria Koningin) is de kapel extra open.

Tijdens de openstelling is ook de kerk te bezichtigen met onder meer een kleurrijke voorstelling (glas-in-loodramen) van het Zonnewonder van Fatima van Charles Eyck en een groot mozaïek (marmer) met taferelen van de Verlossing van Hugo Brouwer.

Mariabeeld Fatimakerk in tweede kamer

In de gebedsruimte van de CDA-fractie in de Tweede Kamer is woensdagmiddag een Mariabeeld geplaatst. Het beeld komt uit de Onze Lieve Vrouw van Fatimakerk in Weert, die aan de eredienst is onttrokken. Afgelopen voorjaar ontmoette CDA-Kamerlid Martijn van Helvert (links) de huidige eigenaar van de kerk, ondernemer Thijs Hendrix, in Rome. Daar ontstond het idee het Mariabeeld over te brengen naar het Kamergebouw. ‘We hebben het in bruikleen’, verduidelijkt Van Helvert, want net als Hendrix hoopt hij dat de kerk in Weert ooit weer gebruikt gaat worden voor de mis. Het Mariabeeld is 1,35 meter hoog, en staat op een sokkel van een halve meter. Hulpbisschop Everard de Jong van Roermond (rechts) heeft woensdagmiddag zowel het Mariabeeld als de gebedsruimte gezegend, bij een plechtigheid waarin ook werd gebeden, gepreekt en uit de Bijbel gelezen. ‘Voor ieder die daar behoefte aan heeft in het jachtige bestaan van de Kamer, is de gebedsruimte een plek om zich te bezinnen’, zei Van Helvert. Het Mariabeeld werd woensdag onder begeleiding van schutters – mannen die vanouds de stad of het dorp beschermen – overgebracht naar Den Haag. Volgens het CDA-Kamerlid is het een ‘bescheiden’ Mariabeeld; toestemming aan zijn protestantse collega’s heeft hij niet gevraagd

Lees verder op ND.nl

Paters van de Heilige Geest bezoeken Fatima Huis

Donderdagmiddag 23 november bezochten 8 Paters van de Heilige Geest hun voormalige huis in Weert.

In dat kader 100 jaar Maria van Fatima bezochten zij ook het Fatima Huis en werden ontvangen door Piet en Mia van Velthoven (die Deken H.Franken vervingen omdat hij niet aanwezig kon zijn) namens de Parochie van O.L. Vrouw Onbevlekt Ontvangen, Maria van Fatima.

Nederland. Geschiedenis
Vervolgingen blijken soms het tegendeel te bereiken van wat de vervolgers beogen. Toen rond 1900 de Franse regering, onder leiding van de antiklerikaal Combes, het voortbestaan van de congregatie bedreigde, werd pater Albert Sébire op 1 maart 1900 naar België gestuurd om daar een nieuwe stichting te beginnen. Hij beperkte zijn actie niet tot België, maar zag ook mogelijkheden in Nederland.

Jaren van opbouw
Weert leek Pater Sébire een geschikte plaats om een kleinseminarie te beginnen. Er was een Bisschoppelijk College waar de studenten konden studeren. Een onderkomen werd gevonden in voormalig hotel ‘De Roos’. Op 2 september 1904 begonnen daar 3 paters (Sébire, Callewaert en Seynave) uit Lier met 10 studenten en een jaar later waren dat er reeds 30. Het hotel raakte snel vol, daarom werd in 1906 een nieuw missiehuis in gebruik genomen. Het aantal studenten bleef de jaren door groeien en er moest nog enkele malen bijgebouwd worden.

In 1913 vestigde pater Sébire, overtuigd van de onmisbaarheid van vakbroeders in de missiegebieden, de opleiding van de broeders in Baarle Nassau, met een vakschool voor timmeren, smeden, elektriciteit, metselen, schilderen, schoenmaken, bakken, en een bedrijf van akker- en tuinbouw en veeteelt.

In 1914 begon het grootseminarie in Gemert en in 1926 het noviciaat in Gennep. In 1931 werd de Nederlandse Provincie officieel opgericht. In Gemert op het kasteel, waar de filosofie en theologieopleiding al was, kwam nu ook het provincialaat. Het bleef er, totdat het in 1947, vanwege nijpend ruimtegebrek, verhuisde naar Rhenen. De afdeling propaganda verhuisde mee.

In 1951 kwam een kleine communiteit wonen in Halfweg die zich bezig ging houden met de missieprokuur. Verzendingen van en naar de verschillende missiegebieden, reispapieren, douanepapieren, financiën zijn slechts een greep uit de vele activiteiten die er plaatsvonden.

Op 1 november 1953 betrokken de Spiritijnen een landhuis in Berg en Dal, dat bestemd werd als huisvesting van jonge paters, die studeerden aan de universiteit van Nijmegen. Hier werd ook de missiepropaganda gevestigd. Een belangrijk initiatief van o.a. Pater van Croonenburg was ook de stichting van het Afrika Museum. In 1957 werd te Hattem een seminarie voor late roepingen begonnen, genaamd ‘de Kibo’.

Bloeitijd 
De Nederlandse Provincie kwam tot grote bloei. Op haar hoogtepunt in de jaren 50- 60 telde de provincie 700 leden. In de loop der jaren kon zij honderden missionarissen uitzenden naar de vele missiegebieden in Afrika en Brazilië. Diegenen onder hen, die in Nederland “moesten” blijven, waren werkzaam in de vormingshuizen en andere diensten, noodzakelijk voor het functioneren van de provincie. Pas later, toen de eerste missionarissen uit “de missie” terugkeerden, werden ook parochies in Nederland, België en Duitsland aangenomen.

Kentering
Eind jaren 60 hield in Weert, Hattem, Baarle-Nassau en in Gemert de traditionele vorming van nieuwe leden op, er dienden zich geen nieuwe kandidaten meer aan. In Weert bleven enkele Spiritijnen wonen en werken in het onderwijs en het pastoraat. In 1977 werden voetbalvelden, tuin en speelplaats verkocht aan de gemeente. In Baarle Nassau werden de grond en bedrijfsgebouwen verkocht. Het klooster werd bejaardenhuis voor zusters, vervolgens opvangcentrum van Vietnamese bootvluchtelingen, totdat het verkocht werd aan een woongemeenschap.
Het kasteel in Gemert werd opnieuw de zetel van het provinciaal bestuur, met secretariaat, archief en de Missie Informatie Dienst. De spiritijnse communiteit werd centrum van missionaire animatie en thuisbasis voor de toen nog ruim 450 spiritijnen werkzaam in Afrika en Brazilië. Er vonden vele activiteiten plaats zoals kapittels, vergaderingen van werkgroepen, studiedagen, retraites, begrafenissen, familiecontactdagen, de spiritijnen- en jubilarissendagen en de internationale voorbereiding voor kandidaten voor de eeuwige geloften. De ‘kapelgroep’ verzorgde er zondags een bezielende viering. Bovendien waren er regelmatig weekends voor de Medestanders en voor de deelnemers aan de jongerenreizen van het Missionair Team.

Communiteiten:
Werden er in de glorietijd van de Nederlandse Provincie steeds meer communiteiten opgericht, vanaf 1980 werden, vanwege het afsluiten van de opleiding en geen nieuwe aanwas, communiteiten opgeheven en huizen verkocht: Hattem, Rhenen, Baarle-Nassau en Halfweg. Zo verlieten de Spiritijnen Gemert, met pijn in het hart, en werd ook het missiehuis in Weert gesloten.
Na het vertrek van de Spiritijnen ging op 6 mei 2010 in Gemert de poort van het kasteel dicht, wachtend op een nieuwe bestemming en eigenaar. Evenzo geschiedde, ruim een jaar later, op 1 oktober 2011 met Weert. Momenteel wordt onderhandeld over de verkoop van zowel Gemert als Weert.

Gennep
Op 4 oktober 1926 werd het oude tramstation in Gennep ‘De Keet’ gekocht. Hier werd al spoedig het noviciaat van de fraters gevestigd. Vanwege de terugloop van het aantal novicen, kreeg het huis in Gennep in 1965 een nieuwe bestemming: Kloosterbejaarden-Oord. Het werd in 1975 officieel erkend door het ministerie van VWC. Vanwege de strengere eisen van de regering werd het oude huis vervangen door een nieuwbouw. Op 10 mei 1993 kreeg deze nieuwbouw de naam: Libermannhof. De status van de Libermannhof veranderde geleidelijk aan. In het verleden was het een erkend kloosterverzorgingshuis. Sinds enkele jaren worden ook lekenbewoners opgenomen. De verhouding religieuzen – leken is nu ongeveer gelijk. Een belangrijke verandering was dat op 1 januari 2009 de organisatie van het verzorgingshuis ‘Libermannhof’ middels een bestuurlijke fusie overgenomen werd door Proteion Thuis, een zorgaanbieder uit Midden Limburg.

Naast het verzorgingshuis staan een negental bejaardenflats. Deze werden in 1989 in gebruik genomen door niet geïndiceerde medebroeders. Pal naast de Libermannhof en de flatjes kwam in 2010 een nieuw appartementencomplex Spiritijnenhof genaamd. Door de bouw van Spiritijnenhof hebben de leden van de Congregatie, een adequate woonsituatie verkregen Momenteel wonen 45 medebroeders in de drie lokacties in Gennep. Hier is ook het provinciaal bestuur, het secretariaat, het economaat en het archief gevestigd. Ondanks de vergrijzing tracht de Nederlandse Provincie trouw te blijven aan haar missionair ideaal.


Eindhoven en Rotterdam
Nieuwe missionaire initiatieven werden ontwikkeld door het Missionair Team van Eindhoven  en door een tweede team van Spiritijnen, dat vanuit een parochieverband in Rotterdam werkt, waar meer dan 70% van de bewoners van elders komt. In deze teams werken Afrikaanse medebroeders, uit Nigeria en Kameroen. Zij zijn de stuwende krachten in onze missionaire projecten. Zij leven en werken vanuit een internationale communiteit te midden van mensen van allerlei culturen en religies, en met en voor mensen in de maatschappelijke marge. Hun aanwezigheid doet soms bruggen slaan tussen Nederlanders en buitenlanders.

 

De Stichters 

De Congregatie van de Heilige Geest onder bescherming van het Onbevlekt Hart van Maria is een religieus missionair instituut, dat zich geroepen weet om in navolging van Jezus Christus de Blijde Boodschap van het Koninkrijk te verkondigen aan de armen.

Oorsprong
De oorsprong van de congregatie ligt in Bretagne, Frankrijk. Het Frankrijk van het einde van de 16e en het begin van de 17e eeuw beleefde een bewogen tijd. Nog heersten absolute monarchieën in Europa. Maar een nieuwe rijke burgerij deed haar macht en invloed voelen. Er heerste grote armoede en onwetendheid onder de grote massa. De bisschoppen waren meestal edelen of kwamen uit de nieuwe rijke burgerij. Velen van hen waren verwikkeld in politieke en religieuze conflicten (Jansenisme, Gallicanisme). Er was nauwelijks aandacht voor de arme parochies in het binnenland. Onder de geestelijkheid was de zucht naar ereambten en de daaraan verbonden prebendes groot. Met name in het Zuiden van Frankrijk en in Bretagne ontstond echter ook een sterk religieus réveil.  De invloed van de Verlichting luidde reeds een nieuwe wereldorde in.

De Stichters
Claude François Poullart des Places (1679 – 1709)

Een jonge Fransman uit Rennes in Bretagne, Claude François Poullart des Places, telg uit de lage adel en zoon van een rijk en ambitieus koopman en politicus, brak met zijn milieu en besloot zich als een arm priester aan de dienst van de armsten te wijden. Hij stichtte in Parijs een seminarie voor arme studenten, die zich na een degelijke wetenschappelijke en geestelijke vorming aan de dienst van de armen zouden wijden. Ereambten mochten ze niet bekleden. Ze moesten zich beschikbaar houden voor die functies in de kerk waarvoor niet of nauwelijks bedienaren te vinden waren. Uit een eerste groep van 12 gelijkgezinden groeide langzaamaan een religieuze congregatie die de naam kreeg Congregatie van de H. Geest. Op Pinksterzondag 1703 wijdden zij zich toe aan de H. Geest onder aanroeping van het Hart van Maria. De nieuwe congregatie had het niet makkelijk in het politiek en kerkelijk klimaat van die tijd. Van alle kanten kwamen tegenwerking en tegenslagen. Ze kregen ook een misprijzende geuzennaam: Spiritijnen. Vanaf de jaren 1860 kwamen ook de buitenlandse missies in het vizier: de oude koloniën van Frankrijk in Afrika: de Franse handelsposten langs de Westkust van Afrika, de eilanden in de Indische Oceaan: nu Mauritius en La Reunion, en de “wingewesten” die Frankrijk nog overhield na de Frans-Engelse oorlogen in de Nieuwe Wereld, nu de Amerika’s en Canada. Samen met de Missions Etrangères van Parijs ging men ook naar de toenmalige Franse bezittingen in Azië (Indochina en gebieden in het huidige China) De jaren van de Franse Revolutie en de Napoleontische tijd tot aan de laatste revolutie in 1848 vormden een ware crisistijd voor de congregatie, waarin ze ternauwernood overleefde.

François Marie Paul Libermann (1802-1852)
In de 40er jaren van de 19e eeuw begon de grote ontdekking van Afrika onder de Sahara, al spoedig gevolgd door een intensieve kolonisatie. Dat luidde ook zowel in de katholieke kerk als bij de christenen uit de reformatie een grote missionaire beweging in. Er ontstonden nieuwe missiecongregaties waaronder de Congregatie van het H. Hart van Maria de eerste was. Zij ontstond uit het initiatief van twee Creoolse seminaristen, een uit Haïti en een uit Bourbon (het tegenwoordige Mauritius in de Indische Oceaan). Beide waren zonen van ex-slavenhouders en ze wilden een gemeenschap stichten die zich zou wijden eeuw  aan de vrijgeworden slaven, een nieuwe onderklasse. Ze wendden zich tot een oudere medestudent, een bekeerde Jood uit Saverne in de Elsas: François Marie Paul Libermann. Om gezondheidsredenen was hij voorlopig van het priesterschap uitgesloten maar hij wachtte geduldig “het uur van God” af. Libermann ging in op hun verzoek en begon de nieuwe stichting voor te bereiden. Hij was een visionair: hij zag voor de beoogde nieuwe congregatie een veel breder arbeidsveld: de evangelisatie van Afrika. Daarbij sloot hij op voorhand ook de nieuwe “koloniën” in de Nieuwe Wereld niet uit, zelfs niet de armsten en de meest verlatenen in Europa. In 1840 werd hij priester gewijd en toen kon hij met het “werk van de zwarten” beginnen. Hij wijdde zijn jonge gemeenschap toe aan het Onbevlekt Hart van Maria, maar ook de H. Geest stond in het hart van zijn spiritualiteit. Hij stond reeds bekend als een gezocht geestelijk leidsman, nu bleek ook zijn talent voor de vorming van jonge mensen en zijn organisatorisch talent. In 1843 vertrokken zijn eerste missionarissen naar West Afrika en al gauw werd door de Romeinse Congregatie de Propaganda Fide de hele westkust aan de jonge congregatie toevertrouwd, vanaf het huidige Senegal tot het huidige Angola. Het werk startte onder grote moeilijkheden: zware offers in mensenlevens, in aanpassing aan leefgebied en cultuur en het ontwikkelen van een authentieke missionaire visie.

Uit twee congregaties één.
Vanaf het begin had Rome al gesuggereerd dat de twee congregaties één moesten worden: “Eenzelfde doelstelling: overzeese missies en de dienst aan de armsten, en een vergelijkbare spiritualiteit” De oude Congregatie van de H. Geest had reeds een lange en respectabele geschiedenis, en alle vereiste kerkelijke en civiele erkenningen. De jonge Congregatie bracht het elan van een enthousiaste groep jonge mensen in, en een nieuwe missionaire visie, geheel op de toekomst gericht. Op Pinksterzondag van het jaar 1848 trad Libermann met zijn hele jonge congregatie in bij de Spiritijnen. Hij werd met algemene stemmen gekozen tot de 11e algemene overste van de oude/nieuwe congregatie en bracht met voortvarendheid het oude seminarie van de H. Geest tot nieuw leven. De naam van de Congregatie was voortaan: Congregatie van de H. Geest onder bescherming van het H. Hart van Maria. François Libermann stierf op 2 februari 1852, nog geen 50 jaar oud. (Bron: F. Timmermans, CSSp)

Congregatie van de H. Geest wereldwijd
De krachtige impuls die Libermann na de fusie aan de congregatie had gegeven, bleef ook doorwerken na zijn dood. Wat hij gezaaid had bleek veel levenskracht te bezitten en kwam tot rijke bloei. In oktober 1853 kwamen alle in Europa aanwezige leden in een algemene vergadering bijeen. Het verslag van deze vergadering geeft ons een goed inzicht in de situatie van de congregatie op dat moment. Zij telde 106 leden: 64 paters en 42 broeders.

Dit betrekkelijk kleine aantal was belast met veel werk. In Europa: het grootseminarie bij Amiens, waar de opleiding was van de eigen leden; het seminarie van de Heilige Geest in Parijs, waar de clerus van de Franse koloniën werd opgeleid; het Frans seminarie in Rome dat door de Paus in 1853 aan de congregatie was toevertrouwd; en het sociale werk onder de arbeiders en zeelieden in Bordeaux.

In Afrika was de congregatie belast met het uitgestrekte vicariaat van de twee Guinees. Het pionierswerk aan de westkust van Afrika kampte met grote moeilijkheden. Het klimaat en de onbekende tropische ziektes hadden al 27 slachtoffers (22 paters en 5 broeders) geëist. “Het is een onderneming”, zo schrijft de verslaggever, “die veel geduld en opoffering vraagt, maar die we toch moeten beschouwen als het belangrijkste werk van de congregatie. Eens zal Afrika een schouwspel zijn dat ons de grootste voldoening zal schenken”.

De missies op de eilanden Réunion en Mauritius schonken die voldoening al. Het was dan ook vanuit het eiland Réunion dat de eerste stap naar de oostkust van Afrika werd gemaakt. In 1863 vestigden de eerste spiritijnen zich op het eiland Zanzibar, nadat een jaar eerder de prefectuur Zanguebar was opgericht. Rome vertrouwde die toe aan de congregatie. Dit kerkelijk gebied omvatte een 3000 km lange kuststrook vanaf Kaap Guardafui (tegenover het zuiden van Arabië) tot aan Kaap Delgado in Mozambique, zonder grenzen naar het binnenland, dat nog niet op de kaart stond. In 1868 volgde de eerste stichting op het vasteland in Bagamoyo aan de kust van het huidige Tanzania. Deze missie werd ‘de moeder van alle kerken in Oost-Afrika’. Maar ook hier was – evenals aan de westkust – het sterftecijfer onder de missionarissen schrikbarend hoog. De gemiddelde leeftijd was nog geen dertig. Het kerkhof van Bagamoyo is daar nu nog een stille getuige van. Het immense Afrikaanse werelddeel, dat nu stapje voor stapje door Europa werd ontdekt en gekolonialiseerd, werd ook een steeds grotere missionaire uitdaging voor de Europese kerk. De uitdijing van het missionaire werkterrein en de daarmee gepaard gaande grotere behoefte aan personeel, vroeg ook om een expansie van de congregatie in Europa.

Meermalen had Libermann al laten blijken dat hij de congregatie niet zag als een uitsluitend Franse instelling. Die zou teveel afhankelijk zijn van de instabiele Franse politiek, meende hij. Persoonlijk had hij zich al bezig gehouden met plannen voor een vestiging in Ierland, Engeland, Spanje, Portugal, België en de Verenigde Staten. In het bijzonder gingen zijn gedachten vaak uit naar Duitsland. Hij maakte het niet meer mee, maar zijn wensen werden in de loop van de volgende jaren vervuld. 

In 1859 stichtten de spiritijnen een college in Blackrock bij Dublin. Het werd een groot succes. De stichting van andere colleges volgde en de Ierse spiritijnen groeiden in aantal. In 1863 vestigden de spiritijnen zich in Duitsland. In 1873 werden zij echter verbannen door Bismarck, die vond dat zij teveel op jezuïeten leken. In 1895 mochten zij weer terugkeren en vestigden zich in Knechtsteden.

De veelbelovende ontwikkeling van de Duitse provincie werd ernstig afgeremd door de twee wereldoorlogen. De Duitse spiritijnen werkten vooral in Oost-Afrika, in Zuid-Afrika en later in Brazilië.

In 1867 gingen de spiritijnen naar Portugal. Ook hier schoten zij goed wortel en weldra ontstond er een bloeiende Portugese provincie, waar vooral de missie in Angola van profiteerde. De revolutie van 1910 maakte daar een einde aan: de colleges werden gesloten en de spiritijnen verbannen. Na hun terugkeer in 1919 namen zij de draad weer op en herstelden zich voorspoedig. De Portugese spiritijnen werken nu voornamelijk in Angola en Brazilië.

De spiritijnen die in 1873 door Bismarck uit Duitsland werden verjaagd, vestigden zich in de Verenigde Staten. Zij werkten onder de emigranten uit Europa en openden in 1878 een college in Pittsburg, dat zich ontwikkelde tot de huidige Duquesne University. De later ontstane Amerikaanse provincie wijdde zich aan de pastoraal onder de zwarte bevolking.

Overzee gingen de Amerikaanse spiritijnen vooral werken in Tanzania en, dichter bij huis, in Porto Rico en Mexico.

Zo zien we de congregatie al in de eerste decennia na de dood van Libermann uitgroeien tot een wijdvertakte internationale organisatie. Een brede solide basis was noodzakelijk om de enorme taak die haar in Afrika wachtte aan te kunnen. Dit langetermijnbeleid werd niet altijd goed begrepen door de mensen aan het front. Mgr. Kobès bijvoorbeeld, de bisschop van het vicariaat van de twee Guinees, had veel mensen nodig voor zijn ambitieuze plannen om talrijke missieposten te stichten langs de westkust. Hij was van mening dat de congregatie al het beschikbare personeel naar Afrika moest sturen. Alleen wat strikt noodzakelijk was voor het bestuur kon in Europa blijven. Maar in Parijs verweet men hem dat hij leek op een wilde, die de boom omkapt om de vruchten te kunnen plukken.

De zware financiële lasten maar vooral ook de mensenoffers die de missie in Afrika vroeg, maanden het bestuur tot een voorzichtig beleid. Van de 108 missionarissen die tussen 1842 en 1862 werden uitgezonden, waren er 42 gestorven en 32 ziek of ontmoedigd naar Europa teruggekeerd. Maar de missie in Afrika bleven de spiritijnen beschouwen als hun belangrijkste opdracht. Zij gingen ook het nog onbekende binnenland verkennen, vaak in de voetsporen van de ontdekkingsreizigers.

De spiritijnen kregen nu ook hulp van anderen. In 1859 kwam de sociëteit van de Afrikaanse Missiën (SMA) naar Sierra Leone, een paar jaar later naar Dahomey (Benin). In 1868 werd dit gebied door Rome losgemaakt van het vicariaat van de twee Guinees en aan de sociëteit van de Afrikaanse Missiën toevertrouwd. Aan de oostkust verschenen de Witte Paters, in 1868 opgericht door kardinaal Lavigerie. Rome vertrouwde hun het gebied rond de Grote Meren in Centraal Afrika toe.

Op het einde van de 19de eeuw ging nog een hartenwens van François Libermann in vervulling. In 1845 schreef hij: “Het kost mij veel moeite de drie miljoen zwarten in Brazilië geen hulp te kunnen bieden.” Geld en personeel ontbraken hem. Veertig jaar later, in 1885, begonnen de spiritijnen een college in Belém aan de monding van de Amazonerivier. In 1897 trokken zij verder het binnenland in naar Manaus en naar Tefé, waar, zo zei men toen, de Schepper zijn werk nog niet had afgemaakt. Het kreeg later de veelzeggende naam ‘Groene Hel’. Rome vertrouwde een groot gebied aan de spiritijnen toe en verhief het in 1910 tot apostolische prefectuur. Na de Franse zouden daar de Nederlandse en Duitse spiritijnen geschiedenis maken.

Tegen de verdrukking in
Het algemeen kapittel van 1896 voorzag zwaar weer voor de congregatie en koos een sterke persoonlijkheid tot algemeen overste, Mgr. Alexandre Le Roy. Hij moest het hoofd bieden aan de antireligieuze politiek van Franse republikeinen. Toen de congregatie – zoals vele religieuze instituten – met opheffing werd bedreigd, kon hij op het nippertje aantonen dat de congregatie van de Heilige Geest al in 1734 wettelijk was goedgekeurd, en dus niet zomaar door een ministeriële beslissing opgeheven kon worden. In 1903 moesten echter wel alle colleges dicht.

Alleen het grootseminarie in Chevilly, de procuur in Marseille en in Bordeaux, en twee huizen voor bejaarden en zieken mocht de congregatie behouden. Desondanks moet gezegd worden dat de spiritijnen er goed van afkwamen in vergelijking met de andere religieuze instituten. Op het kapittel van 1906 kon Mgr. Le Roy zeggen: “Wij zijn de enige religieuzen die momenteel op Franse bodem in gemeenschap kunnen leven, levenskrachtiger en talrijker dan ooit.”

Hij was zich wel bewust geworden dat het, gezien de politieke situatie in Frankrijk, goed zou zijn de congregatie een bredere basis te geven in Europa. Gedurende zijn bestuur kwamen er zes nieuwe provincies bij. In 1900 begonnen de spiritijnen een college in het Belgische Lier. In 1904 vestigden zij zich in Nederland, Engeland en Zwitserland. In 1905 openden zij een kleinseminarie in Canada. In 1921 begonnen Amerikaanse spiritijnen van Poolse afkomst een seminarie in Polen, dat na de oorlog zijn onafhankelijkheid had herkregen.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) stond de rekrutering praktisch stil, want alle jonge mannen van boven de 18 werden onder de wapenen geroepen. Ook missionarissen werden opgeroepen om hun vaderland te verdedigen. Het college in Lier werd verwoest, andere huizen werden gevorderd. Bagamoyo werd in 1916 door de Engelse vloot gebombardeerd en veroverd op de Duitsers. In Europa sneuvelden 136 spiritijnen, velen raakten zwaar gewond en voor het leven gehandicapt. Na de oorlog herstelde de congregatie zich wonderlijk snel. In de periode tussen de twee wereldoorlogen zien we in de kerk een groeiend enthousiasme voor de missie. In 1920 telde de congregatie alweer 145 novicen en een kleine duizend studenten in de opleiding.

Lang duurde deze opleving echter niet. In de Tweede Wereldoorlog (1939-1945) had de congregatie het zwaar te verduren. Een groot aantal spiritijnen moest in dienst. 125 sneuvelden op het slagveld, anderen lieten het leven in een concentratiekamp. De Duitse spiritijnen in Oost-Afrika en Nigeria werden geïnterneerd. Veel seminaries en andere gebouwen werden verwoest. Het aantal studenten in opleiding werd gehalveerd.

Nieuwe tijden, nieuwe wegen
Na de twee wereldoorlogen brak een nieuw tijdperk aan, een nieuwe wereld waarvan de contouren nog maar nauwelijks te trekken waren. In Afrika kwam het proces van de dekolonisatie in een stroomversnelling. Vanaf 1960 werden in korte tijd haast alle landen van zwart Afrika politiek onafhankelijk. Dit snelle proces leidde hier en daar tot grote maatschappelijke onrust, ontwrichting van de samenleving, oorlog en verwoesting. Ook missionarissen werden daar het slachtoffer van, zoals in voormalig Belgisch-Kongo, waar in januari 1962 twintig spiritijnen door een troep muitende soldaten werden vermoord.

Kerk en missie bleven echter over het algemeen gerespecteerd. Kolonisten vertrokken, missionarissen bleven, dat was het algemene beeld. Maar de verhoudingen waren ingrijpend veranderd.

Het Vaticaans Concilie (1962-1965), waaraan ook veertig spiritijnse bisschoppen deelnamen, speelde in op die veranderingen. Sinds 1968 zijn er geen missiegebieden meer die aan een missiecongregatie zijn toevertrouwd, maar zelfstandige bisdommen waar buitenlandse missionarissen zo nodig assistentie kunnen verlenen. “Afrika is geroepen zichzelf te missioneren”, zei Paus Paulus VI bij zijn bezoek aan Afrika.

Terwijl in de Europese provincies van de congregatie het aantal kandidaten sterk afnam, groeide het aantal Afrikaanse spiritijnen. In 1976 werd een Nigeriaanse provincie gesticht, die bij de millenniumwisseling al meer dan 400 leden telde. In Oost-Afrika vormden Tanzania, Kenia en Oeganda samen één provincie, die in 1973 het eerste noviciaat begon.

Momenteel zijn er negen zelfstandige spiritijnse gebieden in Afrika in verschillende fasen van ontwikkeling met in januari 2001 in totaal 954 Afrikaanse spiritijnen. Dat is 31 procent van de hele congregatie. Ook in Brazilië groeit het aantal Braziliaanse spiritijnen. Sinds 1990 vormen zij een zelfstandige provincie.

In de tweede helft van de vorige eeuw gingen spiritijnen – zoals hun voorgangers in de 18de eeuw – ook weer naar Azië. Zij begonnen nieuwe projecten bij voorkeur met internationaal samengestelde teams. Dergelijke teams gingen werken in Pakistan, Australië, Papoea Nieuw Guinea, Taiwan en de Filippijnen.

Zoals de wereld om ons heen is ook de congregatie van de Heilige Geest de laatste vijftig jaar van aangezicht veranderd. In maart 2012 telde zij 2828 leden afkomstig uit 57 verschillende landen, maar het devies luidt onveranderd: Cor unum et anima una, één van hart en één van geest, zoals van de eerste christengemeenschap in Jeruzalem gezegd werd. In de spiritijnse leefregel staat: “Wij komen allen uit verschillende culturen, werelddelen en landen, ieder met een eigen achtergrond. De Geest van Pinksteren heeft ons samengebracht in één grote gemeenschap, de congregatie. De verscheidenheid van culturen wordt door ons gezien als een rijkdom en onze eenheid getuigt van de verzoening in Christus.” Wat daar zo mooi geformuleerd staat, is een evangelisch ideaal. Spiritijnen vinden het de moeite waard om in onze door rassenwaan verscheurde wereld dit ideaal levend te houden en zoveel mogelijk al te realiseren, zowel daadwerkelijk in hun eigen wereldwijde internationale gemeenschap als door hun inzet in veel landen van de wereld.

Mariakapel Fatima Huis opengesteld voor publiek

Met ingang van dinsdag 3 oktober is de Mariakapel van het Fatima Huis voor het eerst voor publiek opengesteld.  Openingstijden zijn van 14.00 tot 16.00 uur. Voorts zal de Mariakapel ook iedere donderdag en zaterdag geopend zijn op bovengenoemde tijden. Openstelling is mogelijk omdat een enthousiaste groep vrijwilligers zich heeft gecommitteerd om tijdens deze openingsuren toezicht te houden. De Mariakapel is vooralsnog m.i.v. 1 november 2017 tot 1 mei 2018 gesloten.

Uitreiking Dr. Poelsprijs 2017

Op 1 juni werd in Kerkrade de Dr. Poelsprijs 2017 uitgereikt. Hieronder leest u de Laudatio die toen is uitgesproken.

Ter inleiding

Na Samen leven: de gewoonste zaak van de wereld (2013) en Wat hebben wij met elkaar (2015) is in 2017 het thema van het initiatief rond de Doctor Poelsprijs  De kracht van verbondenheid. Dit jaar zijn wederom 21 projecten ingediend die meedingen naar de Doctor Poelsprijs 2017. 21 projecten waarin deverbondenheid met de Limburgse samenleving uitdrukkelijk naar voren komt.

21 projecten verwoord in verhalen die gebundeld zijn in het boekje ‘De kracht van verbondenheid’ dat aan het einde van de Sociale Studiedag in Rolduc aan alle deelnemers van deze dag uitgereikt wordt. Deze verhalen laten zien hoe groot de sociale en diaconale inzet in onze Limburgse samenleving is. Het heilig Jaar van de Barmhartigheid mag officieel gesloten zijn; de geest van omzien naar elkaar, van zorg en aandacht voor naasten blijft inspireren.

Geluk van Limburg
Het 
geluk van Limburg is sinds enige tijd een bekend begrip. Heb ik nu goed begrepen, dat onderzoek heeft aangetoond, dat geluk in sommige plaatsen van onze provincie maar beperkt aanwezig is? Dan is er vandaag goed nieuws te horen! Want van Meerssen tot Heythuysen en van Voerendaal tot Venray worden mensen juist door verbondenheid, door solidariteit een beetje gelukkiger gemaakt, of ze nu jong zijn of oud, arm of rijk, Limburger of vluchteling, ziek of gezond. Of het nu rond een maaltijd gebeurt, of tijdens het maken van muziek. Zij die aandacht en zorg ontvangen zijn blij en dankbaar en degenen die met volharding en goede moed willen geven, worden er ook gelukkig van, zo blijkt.

En: creativiteit, een leuk idee; dat werkt aanstekelijk. Zo gaan overheid, sociaal-maatschappelijke organisaties en kerken allianties aan en worden sportclubs, ouderenbonden, carnavalsverenigingen en nog veel meer tot medewerking uitgedaagd.

Zoals al gezegd zijn alle projecten in een mooi boekje verzameld. Deze boekjes zullen hun weg ongetwijfeld vinden. Dat moet ook, want zo kan de inhoud van de projecten breed bekend worden en weer anderen op goede ideeën brengen.

En wat ons betreft, mag aan de publiciteit in de komende maanden nog wel wat extra aandacht worden gegeven, niet alleen via kerkelijke kanalen, maar ook en vooral in de media binnen en buiten de regio.

 

Wie vallen in de prijzen?

Aanmoedigingsprijs
Eén van de criteria om voor de Dr. Poelsprijs in aanmerking te kunnen komen is: een stimulerende en signalerende functie hebben voor de plaatselijke gemeenschap. En een ander aspect is vorming. Wanneer het daarbij om kinderen gaat, zijn we helemaal gespitst. Hoe eerder zij beseffen wat de waarde van maatschappelijke betrokkenheid is en wat zij daaraan zelf actief kunnen bijdragen, hoe beter. En hoe eerder zij leren dat je als generaties nauw met elkaar verbonden bent en dat er veel groepen zijn, die samen het verschil kunnen maken in onze plaatselijke gemeenschappen, hoe beter. Zaak is wel, dat verankering kan plaatsvinden.

Dat vraagt doorzettingsvermogen en tijd, langer dan twee maanden. Maar we hebben er wel alle vertrouwen in! Daarom gaat de aanmoedigingsprijs dit jaar naar het project NOABERKIDS van de vereniging Nabezorg te Roggel!!

 

Derde prijs
Heel veel communicatie gaat via taal, via woorden en verhalen. Dat is prachtig, maar het kan ook anders. Dat kunnen we o.a. leren van kunstenaars. Beelden, kleuren en vormen kunnen net zo goed helpen om contact te leggen, herinneringen op te roepen, om het leven wat meer de moeite waard te maken. Dat vraagt creativiteit, maar ook passie. Dan kunnen onverwachte dingen gebeuren. Eigen ervaring, ook in moeilijke tijden van ziekte en zorg, kan worden ingezet ten dienste van anderen. Daar worden alle partijen gelukkiger van. Ook de mensen in verzorgingshuizen, die soms moeilijk met woorden te bereiken zijn omdat ze lijden aan de ziekte van Alzheimer.

Vanwege de originele manier om mensen met een beperking in onze maatschappij niet aan hun lot over te laten én de bijzondere verwerking van persoonlijke ervaringen van haar en haar groep, gaat de derde prijs naar TIENNEKE PONJEE en het project voor mensen met dementie in Venlo!!!


Tweede prijs
We maken deel uit van een participatie-samenleving, zo noemen we dat tegenwoordig. Iedereen moet kunnen meedoen. Een mooi streven, maar dat is voor de éen wel makkelijker dan voor de ander.  Juist dan is het belangrijk om solidair te zijn. Om maatjes van elkaar te zijn. Om elkaar in de kracht te zetten en over en weer een zinvol bestaan te bieden. Om een beroep op elkaar te kunnen doen. En om te werken aan integratie van diverse groepen mensen in een en dezelfde gemeenschap, of je nu in een doorzonwoning leeft of in een kleinschalige woonvorm, omdat dit voor jouw beperking of probleem het beste is. Wie eenmaal begonnen is, om de basisvoorwaarde van wederkerigheid op plaatselijk niveau overal te laten doorwerken, weet dat dit niet meer kan stoppen. En dan zijn we zomaar tien jaar verder. En dus gaat de tweede prijs naar VRIENDEN VAN PIETERKE in Eijsden!!!

 

Doctor Poelsprijs 2017
Kent u het verhaal over de vis en de hengel? Wanneer je iemand wil helpen, kun je kort door de bocht gezegd, twee dingen doen: je kunt een vis geven, of een hengel, zodat iemand zelf kan leren hoe een vis te vangen. Met andere woorden: zelfredzaamheid vergroten, eigenwaarde versterken, ook op langere termijn. Dat geldt voor iedereen, zij het op verschillende manieren. Als je bijv. weinig geld hebt, kun je leren hoe je toch een gezonde maaltijd kunt koken. Als je voldoende geld hebt en gewend bent om iets dat kapot is, snel weg te gooien, kun je leren wat duurzaamheid is en hoe dat toe te passen. Iedereen kan vaardigheden leren, zodat we richting een circulaire economie kunnen gaan, die beter is voor milieu en klimaat. Die maatschappelijke verantwoordelijkheid dragen we allemaal. Meer dan tien jaar geleden was het project verrassend nieuw en het concept is inmiddels op meerdere plaatsen uitgerold.   Met als motto: alles is gratis, maar niet voor niets! Dus: niet consumeren, maar consuminderen. Al jaren harstikke actueel!

De eerste prijs is voor HET CONSUMINDERHUIS in Landgraaf (Annemiek van Deursen)


Alle andere ingediende projecten krijgen een eervolle vermelding en zijn allemaal opgenomen in ‘De kracht van verbondenheid’, met heel veel waardering voor al het werk dat wordt verzet.